HOC EST VIVERE BIS VITA POSSE PRIORI FRUI
 

De geschiedenis van GHD Ubbo Emmius

De hieronder beschreven geschiedenis van GHD Ubbo Emmius is overgenomen uit het Lustrumboekje van 1986 Hoc Est Vivere... Een beeld van Groningen en het Groninger Historisch Dispuut Ubbo Emmius, 1936-1986, toen de vereniging haar vijftig jarig bestaan mocht vieren. Dit verhaal is geschreven onder redactie van Robert Boxem, Bert Roest, Henriëtte Spits, Ineke van der Werf en Dorinde Witsel. Momenteel zijn we druk bezig de geschiedenis 1986-2000 te schrijven...

Inleiding

De viering van het tiende lustrum van het Groninger Historisch Dispuut "Ubbo Emmius" leek een goede gelegenheid om de vijftigjarige geschiedenis van het dispuut le belichten. De expositiecommissie dook dus het archief in en trachtte zich een beeld te vormen van een halve eeuw dispuutsleven. Dit bleek niet zo gemakkelijk, orndat dit archief grote gaten vertoont. Door het bekijken van de werkopnamen van de film "Clio in Groningen" (1976) en door het houden van enkele interviews, kregen wij toch een idee van de activiteiten van Ubbo in de laatste vijftig jaar.

Vanaf de oprichting in 1936 tot aan de komst van de M.O.-studenten in 1958 was elke geschiedenisstudent vanzelfsprekend ook Ubbo Emmiaan. Het wereldje van geschiedenisstudenten was zo klein dat een schets van het dispuut automatisch ook een schets van het leven op het instituut is. Pas voor de jaren na 1958, als Ubbo door de grote stroom van studenten en de komst van de M.O.-ers enorm groeit, is het mogelijk de activiteiten op het Instituut en de Ubbo-activiteiten los van elkaar te zien.

Het onderstaand verhaal heeft op geen enkele manier de pretentie volledig te zijn. Het hoopt slechts de geëxposeerde foto's en voorwerpen in een iets breder kader te plaatsen.

Een klein begin

Zes dames, zes heren en eenhoogleraar bevolkten in 1936 het Instituut voor Geschiedenis in Groningen. Het Instituut was gehuisvest aan de Melkweg en bestond uit welgeteld een werk- en leeskamer.Het onderwijs werd gegeven door prof. Gosses, die de hele geschiedenis na de oudheid doceerde. Oude geschiedenis werd gegeven door prof. Roos. Tijdens zijn colleges moesten de meisjes gescheiden zitten van de jongens. Omdat alle studenten tegelijk college kregen was het bovendien gebruikelijk dat de ouderejaars vooraan en de jongerejaars achteraan zaten.

De studenten studeerden niet zo snel. Tien jaar studeren was geen uitzondering. De studie bestond voornamelijk uit het bijwonen van de hoorcolleges, die in kleine zaaltjes het kandidaatsexamen voor het vak gevormd werd. Nederlands was het meest gebruikelijke bijvak. Omdat de meeste studenten een baan in het onderwijs ambieerden haalde vrijwel iedereen een onderwijsbevoegdheid.

Alle letterenstudenten waren lid van de Literaire Faculteitsvereniging, die de belangen van de bij haar aangesloten studie-verenigingen behartigde en lezingen organiseerde om de studenten op deze wijze met elkaar in contact te brengen. Via deze vereniging bereikte de geschiedenisstudenten de wens uit andere universiteitssteden om een "Organisatie van Vereenigingen van Studenten in de Geschiedenis" op te richten, de latere OSGN (Organisatie van Studenten in de Geschiedenis in Nederland). Het was de bedoeling om door middel van een jaarlijks te houden congres de verbindingen tussen geschiedenisstudenten aan te halen. Groningen kende op dat moment nog geen vereniging of dispuut van studenten in de geschiedenis. Op dinsdag 24 november 1936 kwamen dan ook tien geschiedenisstudenten bijeen bij Margreet Verschuur, aan het Martinikerkhof 25. Zij besloten op deze vergadering tot oprichting van een historisch dispuut. Het dispuut zou enkele afgevaardigden naar de OSGN-vergaderingen sturen.

Op deze eerste vergadering traden alle tien aanwezigen toe als lid van het dispuut; de twee niet aanwezige geschiedenisstudenten volgden later. Er werd besloten het dispuut open te stellen voor alle studenten die geschiedenis als hoofdvak hadden; het lidmaatschap werd niet aangeboden aan bijvakstudenten. Wiert Wieringa en Margreet Verschuur hadden het meeste initiatief getoond bij de oprichting van het dispuut en zij werden dan ook tot praeses respectievelijk abactis/quaestrix aangesteld. Elk jaar zouden er minimaal vijf vergaderingen moeten plaatsvinden. Op een vergadering zouden een grote en een kleine lezing gehouden moeten worden door de dipuutsleden, waarover dan gediscussieerd zou worden. Ieder lid zou elk jaar minimaal een lezing moeten houden. Ter bestrijding van koekjes, onkosten enz.werd de contributie op vijftig cent gesteld. De abactis werd opgedragen een conceptreglement op te stellen.

Op de tweede vergadering, nauwelijks een maand later, werden de leden het eens over de naam van het dispuut. "Ubbo Emmius" zou het heten, naar de eerste rector magnificus van de Groninger Universiteit. Als zinspreuk werd een door Ubbo Emmius gebruikt citaat van Cicero gebruikt: "Hoc est vivere bis vita posse priore frui", te vertalen met: Je moet twee keer leven om van het leven te kunnent genieten. Het beschermheerschap werd opgedragen aan (wie anders dan) prof. Gosses. Nadat op deze tweede bijeenkomst het reglement na enige wijziging werd goedgekeurd en ook de eerste lezing gehouden, was het bestaan van het Groninger Historisch Dispuut "Ubbo Emmius" een feit.

De vooroorlogse jaren van Ubbo, zoals het dispuut al snel genoemd werd, verliepen niet helemaal zoals verwacht. Prof. Gosses was enige tijd ziek en overleed in 1940. Andere hoogleraren, als Geyl, Brugmans en Overdiep namen zijn taak tijdelijk over tot in 1939 prof. Van Winter tot opvolger van Gosses benoemd werd. Er kwamen weinig nieuwe studenten meer aan. De animo om in Groningen geschiedenis te gaan studeren was niet groot. Men wist immers dat de hoogleraar ziek was en hier kwam de oorlogsdreiging nog eens bij.

Het gebrek aan nieuwe studenten deed zich ook in Ubbo voelen. Ubbo bleef klein en moest steeds op dezelfde mensen terug vallen. Het reglementair vastgestelde aantal van vijf vergaderingen per jaar werd, met uitzondering van het eerste jaar, niet gehaald. In 1937/1938 werd zelfs gesproken van een jaar van depressie in de historische belangstelling in Groningen. Door het geringe aantal leden kwamen de lezingen van Ubbo in het gedrang; de leden namen de moeite niet om voor zo weinig toehoorders een goede lezing in elkaar te zetten. De lezingen gingen vaak over een scriptie of gaven een samenvatting van een boek. De keus aan onderwerpen was dan ook zeer groot; de eerste voor Ubbo gehouden lezing ging over Machiavelli, terwijl ook de geschiedfilosofie van Nietzsche, kleurboeken en de Honderdjarige Oorlog aan bod kwamen. Al met al verliepen de kamerbijeenkomsten weinig spectaculair. Er werd een abonnement genomen op het Tijdschrift voor Geschiedenis. Het blad zou onder de leden rouleren. Een maal werd in de vooroorlogse jaren een gastspreker ontvangen: Slicher van Bath kwam in 1937 uit Utrecht over en hield een lezing over "Ketters in de Middeleeuwen". Hoogtepunten in het dispuutsleven waren de conferenties van de OSGN, waar hoogleraren en studenten uit heel Nederland elkaar troffen. De eerste van deze conferenties werd in 1937 gehouden in Woudschoten. Ook enkele leden van Ubbo waren aanwezig en prof. Gosses hield een lezing. Volgens de deelnemers was de sfeer er een van 'grote onderlinge verbondenheid'. Het uitbreken van de oorlog kwam voor de meeste Ubbo Emmianen als een donderslag bij heldere hemel. Een bedrukte sfeer spreekt dan ook uit de notulen van 1940 en 1941. Door het geringe aantal leden en de mobilisatie van het uit twee leden bestaande bestuur had Ubbo de laatste jaren niet geheel naar behoren gefunctioneerd. Abactis Edzo Waterbolk schreef in het jaarverslag 1940/1941:

"Juist in deze tijden, (...) nu ons Nederland is als een moeras, dat, doordat er iets zwaars en plomps is ingeslingerd, allerlei dampen uitwasemt."

Veel deelnemers aan de OSGN-conferentie van 1941 waren diep geschokt toen prof. Jan Romein en zijn zoon weigerden het Wilhelmus te zingen. Het dispuutsleven kwam nagenoeg tot stilstand. Wel werd geprobeerd de band tussen de studenten onderling en de hoogleraren in stand te houden. Als voorbeeld hiervan kan de fietstocht naar het Hooge Land onder leiding van prof. Van Winter gelden, waarbij de studenten in Houwerzijl in het hooi sliepen en door een met prof. Van Winter bevriend echtpaar stevig werden gevoed.

De laatste vergadering tijdens de oorlog vond plaats op 23 november 1942. Er werd nog wel een heel nieuw bestuur gekozen, maar er werden geen verdere activiteiten op touw gezet. Toen dat jaar 13 Leidse studenten van het historisch dispuut "Robbert Fruin" naar Groningen kwamen, naar aanleiding van een promotie, werd in een brief voorafgaand aan het bezoek opgemerkt dat "...het plezierig was te horen, dat de leden van Ubbo Emmius allen safe zijn...".

Begin 1943 was het Hoger Onderwijs bijna geheel tot stilstand gekomen. Op 13 maart 1943 werd een besluit gepubliceerd dat voor de studenten grote gevolgen zou hebben: alle studenten in Nederland kregen een maand de tijd om een zogenaamde Loyaliteitsverklaring te tekenen. Wie tekende beloofde daarmee geen acties te ondernemen tegen het Derde Rijk en hoefde niet in Duitsland te gaan werken. Over het algemeen bestond bij de studenten grote weerzin tegen het tekenen van deze verklaring. Veertien procent van de Nederlandse studenten tekende; in Groningen was dat ruim negen procent.

De houding van de Ubbo Emmianen was zeer verschillend. In het verslag van de werkzaamheden van het dispuut tussen 1942 en 1945 staat dat geen der leden "vaderland ontrouw" is geweest. Toch werd een van de leden van het dispuut wegens het april-tekenen na de oorlog voor langere tijd van de universiteit uitgesloten. Enkele Ubbo Emmianen doken onder. De studie van deze mensen kwam overigens niet geheel stil te liggen, want prof. Van Winter nam ook op onderduikadressen tentamens af. In elk geval hebben alle leden van Ubbo de oorlog overleefd. Na de oorlog kwam het onderwijs langzaam weer op gang. Prof. Van Winter kreeg in 1946 steun van dr. A.G. Jongkees, die werd aangesteld als lector in de geschiedenis na de Middeleeuwen. Het Instituut verhuisde naar de Boteringestraat. Hoewel na de oorlog een "ontzaglijke hoeveelheid" studenten naar groningen kwam bleef het gezelschap dat op het Instituut huisde zeer klein. Colleges werden gelopen met zes of acht medestudenten. Over de verhouding tussen de studenten en de docenten in dit kleine wereldje zei een student die in 1945 aankwam:

"Aan de ene kant stond je dicht bij elkaar, maar aan de andere kant was de distantie ook erg groot ... Dat gaf een merkwaardige spanning. Maar je was toch wel geborgen."

Ook Ubbo nam na de oorlog de draad weer op. De meeste van de nieuw aangekomen studenten werden lid en het dispuut groeide van negen naar veertien leden. De statuten werden veranderd zodat ook archeologen en kunsthistorici voortaan lid konden worden. De opzet van de vergaderingen bleef hetzelfde; de leden kwamen bijeen op de kamer van een ruim behuisde dispuutsgenoot, luisterden naar een lezing en bediscussieerden de strekking of de stelling ervan. Dit alles soms onder het genot van een glas wijn. Ook werden er zo nu en dan andere activiteiten ondernomen in Ubbo-verband. Tentoonstellingen werden bezocht, soms ging men gezamenlijk naar de film, en ook het ABC-cabaret werd in de na-oorlogse jaren met een bezoek vereerd. "Dat was nog een hele opschudding", omdat de Ubbo Emmianen, die te laat de zaal van het Grand Theatre binnenkwamen, niet bij elkaar bleken te zitten en daar zo'n stennis over maakten dat Wim Kan vanaf het toneel vroeg, wat er aan de hand was.

Een roemruchte excursie uit deze na-oorlogse jaren is de reis die prof. Van Winter in juli in 1946 met voornamelijk geschiedenisstudenten ondernam. De reis voerde naar Amsterdam, waar veel van de studenten nog nooit geweest waren. Vooral de heenreis staat veel deelnemers nog in het geheugen gegrift. Prof. Van Winter had alles zo goedkoop mogelijk geregeld. Eerst met de Drachtster Tram naar Drachten, dan verder met de tram naar Heerenveen en Lemmer, en dan op de Lemmer nachtboot naar Amsterdam.

"De enige die geslapen heeft is prof. Van Winter.
Prof. Van Winter nam zijn koffertje, dat lei hij
op een bank en toen ging hij rustig liggen.
Verder was er niemand die een oog dicht deed."

De excursie was zeer geslaagd. Vier dagen lang werd Amsterdam doorkruist. Hierna waren de studenten zo moe dat zij met de trein naar huis wilden, in plaats van opnieuw met de Lemmer nachtboot. Prof. Van Winter gaf maar "node" toe aan deze wens.

De conferenties van de OSGN bleven ondertussen belangrijk voor de geschiedenisstudenten. Maar liefst elf Ubbo Emmianen bezochten de conferentie in 1946, die gehouden werd in "den barakken van den Nederlandschen Protestanten Bond te Soesterberg". In de jaren die volgden waren op de meeste OSGN-conferenties wel Groninger studenten aanwezig. De conferenties duurden meestal enkele dagen. Het bestuur van de OSGN had van te voren, in overleg met de bij haar aangesloten studenten, een thema vastgesteld. Een aantal hoogleraren hield hierover dan een lezing. Vooral voor de onderlinge kennismaking van de geschiedenisstudenten waren deze conferenties heel belangrijk.

Het dispuut ging in de jaren vijftig op de oude voet voort met lezingen en discussies op elke vergadering. Voor eerstejaars waren de kamerbijeenkomsten van groot belang, omdat zij van de ouderejaars te horen kregen hoe de studie precies in elkaar zat, welke handboeken het best gebruikt konden worden, etcetera. Ubbo onderhield contacten met de historische disputen in de andere universiteitssteden, en met de diverse andere verenigingen. In deze jaren ontstond de gewoonte om op de dag van de laatste vergadering in het jaar, in mei, naar de kermis te gaan om daar poffertjes te eten. Een bezoek aan de Chinees en aan de schouwburg werd daar in latere jaren nog aan vastgeknoopt.

Op een van deze goeiige kamerbijeenkomsten aan het begin van de jaren vijftig vond een wat merkwaardig voorval plaats. De vergadering werd gehouden ten huize van de student Marietje van Winter. Halverwege de avond kwam de student Wim Clasbergen binnen, met in zijn handen een bruine papieren zak. Hij was, als student archeologie bij prof. van Giffen, aanwezig geweest bij de opgraving van de graven van het Hollandse Huis in Rijnsburg. In de papieren zak bleek de schedel van Floris V te zitten, die bij Rijnsburg boven de grond gekomen was:

"Van de omstanders maakte zich een gevoel meester
van: is dit comme il faut, kun je dit doen, en
toch wel een hevige geintrigeerdheid dat daar
toch werkelijk de kop van Floris V rondging,
want hij ging toen rond. We hielden hem alle-
maal even op schoot..."

Vooral de gaten in de kop van Floris V bleken in slaat een hevige belangstelling te wekken. De lustra van het dispuut waren natuurlijk uitstekende gelegenheden om iets feestelijks te organiseren. Het tienjarig bestaan van Ubbo werd nog zeer sober herdacht met een gezellig samenzijn en een lezing bij prof. van Winter thuis. Bij deze gelegenheid werd de gastheer het erelidmaatschap van het dispuut aangeboden. Het koperen feest van Ubbo was al iets minder bescheiden van opzet, hoewel er maar elf aanwezigen waren. Het vierde lustrum van Ubbo in 1956 werd nog iets grootser aangepakt met een driedaags programma. Oud-studenten werden uitgenodigd voor een soort reünie, en ook kwamen er 36 studenten uit andere universiteitssteden. Op het programma stonden lezingen en een kerktocht. Er liep wel iets mis: volgens afspraak had de Menkemaborg in Uithuizen, waar het hele gezelschap zou eten, voor tachtig personen op pannekoeken gerekend. Er kwamen echter maar zevenenveertig mensen opdraven, die ook nog eens niet allemaal betaalden. Toen de betaling uitbleef vroeg de pannekoekenbakker in een kwade brief aan het bestuur "hoe of de heren over een betaling denken". Blijkbaar niet erg positief, want uit de begroting van dat jaar blijkt dat er niet betaald is. Prof. Jongkees, die zich bijzonder had ingezet bij het organiseren van buitenlandse reizen voor zijn studenten, werd.bij dit vierde lustrum erelid. De excursies van Prof. Jongkees voerden meestal naar Frankrijk, en dan vooral naar Bourgondië. Het doel van deze reizen was tweeledig: de studenten kwamen op een intensieve wijze met de Middeleeuwse cultuur in aanraking en leerden elkaar bovendien goed kennen. Tijdens de excursies die prof. Jongkees heeft georganiseerd is mede de basis gelegd voor verschillende huwelijken.

Aanvankelijk waren de fiets en de trein de vervoersmiddelen bij deze excursies; later werd een Volkswagenbusje geprefereerd omdat het toegenomen autoverkeer het fietsen niet tot een onverdeeld genoegen maakte. In 1953 ging een groep studenten fietsen in het Maasdal, in 1954 werd de beroemde drieweekse fietstocht gemaakt naar Bourgondië, en in 1957 werd een excursie gemaakt naar het Ile de France. De eerste regels van het verslag van deze laatste reis geven misschien een indruk van zo'n reis:

"De hoogleraar zelve, in zijn laaiende bezieling
allen met hart en ziel meegesleurd en voortstuwend,
dwars door de Middeleeuwen, (...) met soms node
halt houdend bij zoiets jongs en prils als Compiegne
1918 of Waterloo 1815..."

Tot aan zijn emeritaat heeft prof. Jongkees met groot succes excursies van geschiedenisstudenten begeleid.

Een reis naar Bourgondië in 1959 leverde nog een erelid op. Via prof. Jongkees was de groep in contact gekomen met de archeoloog René Louis, die in Auxerre bijzondere vondsten had gedaan. Hij was zo vriendelijk de groep rond te leiden en was verder ook bijzonder gastvrij. Een van de studenten werd zeer verliefd op de dochter van René Louis, en dit schijnt er ook toe bijgedragen te hebben dat de heer Louis in 1961 als derde het erelidmaatschap verkreeg. De eerste vijfentwintig jaar van het Groninger Historisch Dispuut werden gekenmerkt door kleinschaligheid en gezelligheid. Alle nieuw aangekomen geschiedenisstudenten werden vanzelfsprekend lid. Op min of meer regelmatige tijden kwamen de leden op de kamer van een van de studenten bij elkaar en luisterden naar een lezing van een medestudent, waarna de avond nog op een gezellige wijze werd voortgezet. Af en toe waren er nog andere activiteiten zoals een lustrumviering of theaterbezoek. Een geschiedenisstudent was een Ubbo Emmiaan; daarom was het Instituutsleven ook niet los te zien van Ubbo Emmius. In de jaren zestig veranderde dit en de grootschaligheid deed ook op het Instituut voor Geschiedenis zijn intrede.

Schaalvergroting

In het academisch jaar 1958/1959 kwamen de eerste M.O.-studenten in Groningen aan. Dit bleek binnen Ubbo nogal wat spanningen op te roepen. Veel Ubbo Emmianen waren tegen de integratie van de M.O.-ers met de academische studenten in een dispuut. Misschien speelde de angst voor schaalvergroting mee en waren zij bang het traditionele gezelligheidsleven kwijt te raken. Mogelijk speelde ook de andere sociale achtergrond van de M.O.-ers mee. In ieder geval gaf de komst van de M.O.-studenten stof tot conflicten. De M.O.-ers organiseerden zich in een 'Ubbo Emmius" dat in de wandelgangen al snel de naam "Mubbo" kreeg. Het dispuut van de academische studenten kreeg nu de naam "Clubbo". De leden van "Clubbo" en "Mubbo" hielden ieder afzonderlijk hun kamerbijeenkomsten. Daarnaast werden vanaf 1959 de zogenaamde gecombineerde vergaderingen gehouden, waar de beide groepen elkaar troffen met lezingen en discussies. Deze vergaderingen bleken niet bijzonder succesvol. In mei 1960 melden de notulen dat zo'n vergadering op "officieuze wijze slepende werd gehouden". Ook de kameravonden van de beide Ubbo's lieten te wensen over. "In de praktijk blijkt de vereniging te groot, zodat een bloeiend dispuutsleven onmogelijk is" ,was de mening van een vergadering in november 1960. Op een heftig bewogen vergadering in februari 1960 kwam het bijna tot een echte splitsing tussen "Mubbo" en "Clubbo". De commissie die het lustrum voorbereidde (de "Lubbo") had het lustrumprogramma omgegooid zonder "Mubbo" daarin te kennen. "Mubbo" was hierover bijzonder kwaad en dreigde met opstappen. Er ontstond een discussie over de vraag of het lustrum gevierd zou worden met de M.O.-ers, of helemaal niet. Een stemming bracht uitkomst: bet lustrum zou met de M.O.-ers gevierd worden; de organisatie was trouwens al in een vergevorderd stadium. Dit vijfde lustrum werd een succes en misschien bracht dit "Mubbo" en "Clubbo" weer bij elkaar. Een definitieve sarnensmelting vond in ieder geval plaats op de vergadering van 9 october 1961, waarin "het nieuwe, grote Ubbo Emmius, waarin opgenomen alle geschiedenisstudenten" geboren werd. Henk van Os, die in dat jaar praeses was van zowel "Ubbo" als "Lubbo", heeft in grote mate aan deze integratie van "Clubbo" en "Mubbo" bijgedragen.

Het Groninger Historisch Dispuut "Ubbo Emmius" kreeg nu een nieuwe structuur en liet de tijd van kamerbijeenkomsten achter zich. Er werd nu een "serieus-Ubbo" en een "pret-Ubbo" onderscheiden. Om de integratie van M.O.- en academische studenten te bevorderen werden voor de serieuze Ubbo een aantal disputen en een werkgroep samengesteld. Zij hadden allen een onderwerp dat in de groep door middel van lezingen en discussies zou worden uitgespit. De verschillende disputen liepen van zeer goed tot zeer slecht. De werkgroep functioneerde goed. "Pret-Ubbo" was vooral bedoeld om versnippering te voorkomen. Alle leden kwamen eens in de zoveel tijd bijeen om een lezing aan te horen, waarna dan een "gezellig samenzijn" plaatshad. Een aantal jaren werd deze constructie van Ubbo gehandhaafd. Op den duur bleek echter dat het niet meer zo goed werkte, de animo van de leden van Ubbo voor de activiteiten bleek te gering. Het praesidiaal jaarverslag 1963/1964 meldt zelfs:

"Nu de dispuutsfunctie van "Ubbo Emmius" te wensen overlaat, kan zich de vraag aan ons opdringen of erwel voldoende bestaansrecht is voor een studievereniging als deze." Het bestuur kwam na enige discussie echter tot de overtuiging dat Ubbo wel degelijk bestaansrecht had omdat door Ubbo "de belangen en interessen der geschiedenis-studerenden ge reguleerd kunnen worden".

Hoewel Ubbo niet primair een gezelligheidsvereniging was, bleef het gezelligheidsaspect heel belangrijk. Aan ontgroening werd nooit gedaan. Een installatie bestond soms uit het stellen van een paar vragen, waarvan de meest gangbare was: "Waar en wanneer was de slag bij Ane". Na de traditionele Ubbo-kreet "HI HA HO" had Ubbo er dan weer een lid bij. De lustra vormden de hoogtepunten van een Ubbo-jaar. Bij de viering van de 27ste dies natalis in 1963, waarbij prof. Visser erelid werd, was het hele bestuur in historische kledij gestoken. De geschiedenis werd hier als het ware bijna zichtbaar; overigens ging het geplande feest die avond niet door omdat de dag tevoren president Kennedy was vermoord.

Drie jaar later dichtte een oud-Ubbo Emmiaan ter gelegenheid van het zesde lustrum: "Na dit groots verleden jaren lang/ is Ubbo voor de toekomst ook niet bang". Dit feest was groot opgezet met de tentoonstelling "Vergrote Groningers in caricatuur", een gastcollege, een diner en een bal. Deze lustrumactiviteiten waren de voorbode van de veranderingen. Van een dispuut dat met een klein aantal leden kamerbijeenkomsten hield, transformeerde Ubbo zich langzamerhand in een vereniging met veel leden en veelsoortige activiteiten. Naast de traditionele lezingen begon Ubbo ook eerstejaarsweekenden, koffiemorgens, films, borrels en excursies voor de leden te organiseren. Daarnaast bleven de disputen nog een aantal jaren bestaan. Het lidmaatschap was voor het toegenomen aantal studenten niet meer zo vanzelfsprekend als voor hun voorgangers, maar zij werden toch in grote getale lid.

Meer studenten betekende ook meer rumoer. Het Instituut voor Geschiedenis aan de Heresingel kreeg te maken met de roep om democratisering in de jaren zestig. De studenten richtten in 1967 het tijdschrift Groniek op. De artikelen in Groniek varieerden in die beginjaren van interviews tot aan verslagen van vergaderingen of voor Ubbo gehouden lezingen. In de Instituutsbijlage, die een aantal jaren in dit "onafhankelijk gronings historisch tijdschrift" verscheen, stonden artikelen die direct betrekking hadden op de gang van zaken op het Instituut. Alle leden van Ubbo kregen het blad gratis. Losse nummers waren ook te verkrijgen. In de loop van de volgende jaren ontwikkelde Groniek zich steeds meer tot het historisch-wetenschappelijk tijdschrift dat het nu is. In 1983 werd het abbonnement losgekoppeld van het lidmaatschap van Ubbo.

Twee jaar na de oprichting van Groniek ontstond de Aktiegroep Aktivering (A.A.) die zich bezighield met allerlei bestuurlijke en politieke zaken die met de studie geschiedenis te maken hadden. Ook het bestuur van Ubbo liet zijn politieke stem horen. In 1972 werd namens het G.H.D. "Ubbo Emmius" een condoléancetelegram gestuurd naar de CPN die in de verkiezingen in Groningen een nederlaag had geleden. Ook de tandheelkundige kliniek in Tai Binh kon op een solidariteitsverklaring van het Ubbo-bestuur rekenen. Maar naast deze politieke aktiviteiten werden natuurlijk ook de gebruikelijke feesten, lezingen en borrels georganiseerd. De OSGN was inmiddels veranderd in "een linkse club met pretenties", zoals een bestuurslid ervan het in een introductienummer van Groniek (1975) uitdrukte. De traditionele jaarlijkse congressen waren in de jaren zestig thematisch steeds meer maatschappelijk geëngageerd geraakt, maar werden niet meer elk jaar gehouden. In 1967 was het thema "anarchisme" nog aan bod gekomen. In de jaren die volgden werden, met uitzondering van 1975, geen congressen meer gehouden, maar werd de OSGN des te meer een organisatie die de belangen van de geschiedenisstudenten verdedigde. Het bestuur hield zich bezig met actievoeren "tegen pogingen de universiteit verder ondergeschikt te maken aan de kapitalistische belangen en voor het uitbouwen van de mogelijkheden die er zijn om de wetenschap aan de "kleine" man te brengen". De meeste geschiedenisstudenten lieten zich aan de OSGN echter weinig meer gelegen liggen en na een poging in 1979 om de organisatie weer nieuw leven in te blazen, bloedde de OSGN in bet begin van de jaren tachtig dood.

De activiteiten die het gezicht van Ubbo bepaalden waren (en zijn) feesten, films, borrels en lezingen. Daarnaast waren er natuurlijk ook allerlei andersoortige gebeurtenissen. Het achtste Lustrum bijvoorbeeld, dat met zijn tentoonstelling over de persoon Ubbo Emmius, zijn forumdiscussie en vooral met de film "Clio in Groningen, veertig jaar geschiedenisstudie in Groningen" zelf geschiedenis maakte. Er waren filmcycli over onderwerpen als "de Nederlandse maatschappij in bet interbellum" (1978/1979) en over de middeleeuwen (1979/1980). Na een lezing over de middeleeuwse kookkunst werd, in 1978, voor vijftig mensen RAFFYOLYS bereid onder het toeziend oog van prof. Van Winter. Heel veel lezingen werden gehouden. Menige eerstejaars leerde zijn medestudenten kennen op een door Ubbo georganiseerd introductieweekend. Het aantal ereleden groeide gestaag; prof. Waterbolk, conciérge Akkerman en mevrouw Bootsma (beter bekend onder haar voornaam Tiny) werden erelid.

Niet alle activiteiten van Ubbo werden altijd even goed bezocht. In 1978 werd in een brief aan de studenten geklaagd dat hun "betrokkenheid" bij de Ubbo-activiteiten "zeer gering" was. Een jaar later merkte het Ubbo-bestuur op dat de "trend niet meer vanzelfsprekend lid te zijn van Ubbo" zich duidelijk aftekende. Ook in 1980 bleek "over het algemeen weinig belangstelling voor het georganiseerde" te bestaan. Toch waren de besturen aan het eind van het jaar nooit echt ontevreden; het was allemaal blijkbaar toch,de moeite waard te zijn geweest.

De desinteresse bij Ubbo-leden leidde in 1984 tot een "acute noodsituatie" toen op de ALV in oktober het oude bestuur wilde aftreden terwijl nieuwe bestuurskandidaten nog ontbraken. De oude bestuursleden werden "geteisterd door pessimisme" door het gebrek aan motivatie bij de nieuwe generatie studenten. Tenslotte is er toch een nieuw bestuur gekomen dat de zaken voortvarend aanpakte. Door het instellen van een boekenfonds voor eerste- en tweedejaars studenten en door grotere publiciteit bij de activiteiten, kroop Ubbo uit het dal omhoog. De laatste twee jaar heeft het dispuut zijn toekomst vooraleerst zeker gesteld: gesterkt met een groot ledental en de nodige mensen die bereid zijn zich voor het dispuut in te zetten, kunnen de komende vijftig jaar met vertrouwen tegemoet worden gezien.


Activiteiten

verjaardagskalender
10-3 Pauline Bos (22 jaar)
10-3 Lawien El Ali (23 jaar)
10-3 Dieuwke Osinga (23 jaar)
11-3 Arian Nieboer (23 jaar)
11-3 Bas Volkers (25 jaar)
12-3 Lenie Berg (22 jaar)
12-3 Vincent Nieuwelink (28 jaar)
12-3 Tamara Zeeuw (19 jaar)
13-3 Angelique Kroonen (19 jaar)
13-3 Hanna Riezebos (25 jaar)

Copyright Ubo Emmius   Gebruiksrechten   realisatie door luukwullink